HOME

regenten

en vorsten

1600-1700

De gouden eeuw introductie

Het ontstaan van een
zelfstandig Voorschoten

Ambachtsheerlijkheid

Ambachts- en Baljuwhuis

De Trekvaart

 

 

De Ambachtsheerlijkheid Voorschoten maakte deel uit van de Wassenaarse lenen, maar het was eind 16e/begin 17e eeuw in het bezit van een Zuid-Nederlandse edelman, Lamoral de Ligne. Omdat deze trouw was aan de Spaanse Koning, dreigde hij zijn bezittingen tijdens de 80-Jarige Oorlog door onteigening kwijt te raken. Tijdens het Twaalfjarig Bestand verkocht hij  de ambachtsheerlijkheid van Voorschoten aan Johan van Duivenvoorde. Door de leenkamer van het Huis van Wassenaer (op het Binnenhof) werd hij ook beleend met de hoge heerlijkheid, hetgeen inhield dat hij zowel bestuurlijk als juridisch volledig bevoegd was en Voorschoten zelfstandig werd.

 

 

  • Lees verder

    De ambachtsheer had via zijn schout of  baljuw in elk ambacht (dorp) een stukje overheidsgezag in eigen beheer. Dit lokale overheidsgezag bestond uit:

    - rechtspraak en de opbrengsten daaruit

    - schot of landrente

    - tolrechten

    - tienden of een vorm van winstbelasting waarbij een tiende deel moest worden afgedragen

    - marktrecht, visrecht, jachtrecht en windrecht

     

    De Heer van Wassenaar kreeg die rechten toen hij van de Graaf van Holland, die eigenaar van de grond was, het ambacht Voorschoten tegen betaling in leen kreeg.

    De bundel aan rechten werden de heerlijke rechten genoemd, waarvan de rechtspraak het belangrijkste was, omdat deze door de opgelegde boetes de meeste inkomsten opleverde.

     

    De lokale rechtspraak werd in Voorschoten tot 1550-60 voltrokken door de schout en de buren en daarna door de schout en zeven schepenen, inwoners van Voorschoten met enige juridische kennis en een eigen vermogen, zodat ze niet  omkoopbaar waren.

    De Heer van Wassenaar was niet zelf aanwezig om de heerlijke rechten in Voorschoten uit te oefenen en de naleving daarvan te controleren. De schout betaalde de ambachtsheer elk jaar een bedrag voor het mogen uitoefenen van het ambt en verhaalde dit geld op zijn beurt weer op de inwoners van Voorschoten.

     

    Voorschoten was vanaf 1615 tevens een hoge heerlijkheid, wat inhield dat ook ernstige zaken als doodslag, verkrachting, verminking, diefstal hier berecht werden door de schout, die in deze hoedanigheid baljuw werd genoemd.

     

Ambachtsheerlijkheid

Canon van Voorschoten